‘’Westen Schouwen, het zal je berouwen, dat je genomen hebt mijn vrouwe. Westen Schouwen zal vergaan, maar de toren zal blijven bestaan.’’
Deze vloek werd uitgesproken door een woeste zeemeerman over het Zeeuwse vissersdorpje Westenschouwen. Sindsdien verzandde de haven van Westenschouwen, werd het dorp verlaten en bleef te toren staan. Niet te verwarren met de Plompetoren welke 2017 nog steeds eenzaam op de dijk staat. Deze voormalige kerk- en vuurtoren van het verdronken dorpje Koudekerke wordt voor de uitleg van deze sage van het volksverhaal vaak verkeerd uitgelegd als de toren van Westenschouwen. Volksverhalen over zeemeermannen die vloeken uitspraken over vissersdorpjes zijn in Nederland alom vertegenwoordigd, waar komen deze verhalen vandaan en wat is er met de verdronken dorpen gebeurd?
De meerminsage van Westenschouwen
Volgens de sage waren de vissers van Westenschouwen rijk en hoogmoedig. Steeds verder gingen zij de zee op om meer en meer vis te vangen. Op een dag vingen zij een zeemeermin.. Ze smeekte om haar vrijlating, omdat ze op het land niet kon leven. Toch haalden de vissers de zeemeermin op het land, eenmaal op het droge stierf de zeemeermin meteen. De Westenschouwse vissers hadden de toorn van haar echtgenoot op zich afgeroepen en hij vervloekte de inhalige vissers met het rijmpje
Schouwen, Schouwen,
‘t sal je rouwen
dat je genomen eit m’n vrouwe!
‘t Rieke Schouwen zal vergaen,
alleen de toren zal bluven staen!
En zo geschiedde, een verwoestende storm trok over het dorp en de haven verzandde waardoor de vissers genoodzaakt waren om het vissersdorpje te verlaten. Alleen de kerktoren bleef over. In werkelijkheid bleef de toren echter niet staan, in 1848 werd de toren van het dorpje afgebroken. De verlaten kerktoren, de Plompe Toren, van het nabijgelegen verdronken Koudekerke werd symbool voor de sage van de zeemeermin.
Optekening van de sage
Half-vis en half-mensfiguren komen al vanaf de 7e eeuw voor in Europese ‘bestiaria’, dierenboeken. Veel zeemannen geloofden meerminnen gezien te hebben op hun reizen, er deden zich dan ook allerlei verhalen de ronde over deze schepsels. Ontmoetingen met zeemeerminnen of -mannen stonden in volksverhalen vaak garant voor rampspoed. Zeemeerminnen riepen vaak onheil uit over een dorp of stad waarna een dorp verdween in de golven of economisch geruïneerd werd. De snelle verzanding van de haven van Westenschouwen in de 15e eeuw moet grote indruk gemaakt hebben op de Zeeuwen, waar zij een verklaring voor zochten in de vorm van een zeemeermannenvloek. De meerminsage die de ondergang van Westenschouwen verklaart toont veel gelijkenissen met sages over andere verdronken dorpen en steden. Veel vloeken uitgesproken door ‘meermensen’ eindigen met de woorden ‘alleen de toren (of het dorp) zal blijven (be)staan’. De sage van Westenschouwen werd voor zover bekend voor het eerst in 1843 opgetekend door F. Nagtglas in het tijdschrift De Navorscher. Hiervoor was het een volksverhaal wat mondeling doorgegeven werd.
Verdronken dorpen en verzande havens
Westenschouwen was een van de honderden Zeeuwse dorpen die in de late middeleeuwen verdwenen in de golven. Stormvloeden waren de belangrijkste oorzaak voor het ontstaan van verdronken nederzettingen. Hiernaast zijn er, vooral in het huidige Zeeuws-Vlaanderen, veel dorpen verdronken als gevolg van militaire inundaties. Hierbij werden gebieden opzettelijk onder water gezet om de, toentertijd Spaanse, vijand tegen te werken. Stormvloeden hebben op indirecte wijze ook invloed gehad op het verzanden van de haven van Westenschouwen. Tijdens een stormvloed werd land weggeslagen aan de zuidkust van het eiland Schouwen. Het losgekomen zand werd door de Oosterschelde meegevoerd naar de monding van de haven van Westenschouwen waardoor deze verzandde. De economische bron van de vissers droogde op en de vissers waren genoodzaakt het dorp te verlaten. De havenbuurt verdween en het dorp werd overgeleverd aan de elementen waardoor het dorp later alsnog in de golven verdween. Westenschouwen was ook een afzonderlijk ambacht, maar stond met Haamstede veelal onder dezelfde heren. Het rechtsgebied strekte zich uit over het gehele Westland, de polder de Meypacht, alsook het oude Nieuwland dat in zee verdwenen is. De oudere benaming voor de streek of het dorp Westenschouwen is zeer uiteenlopend geschreven: Taleboitseyde of Taleboitseinde, naast Paalvoetsijde (Palevoetsyde, Palevoetsheide, Paelvoetseinde, Paleboutsheyde). De vooral in Westenschouwen veel voorkomende oude familienaam Dalebout (Talebout) houdt ermee verband. Een late verbastering is Poelvoet of Poelvout in bijv. de benaming van de voormalige Poelvout(s)plaat aan de zuidzijde van Schouwen. Taleboitseyde is ook wel in verband gebracht met de door Ptolemaeus genoemde Tabuda. A.A. Beekman vermeldt dat de plaats naar een zekere Paelvoet heette, die er ingedijkte gronden bezat; het achtervoegsel –hide of -ijde betekent haven of inham. Het vissersdorp Paalvoetsijde aan de monding van het water Hamer (Amer) moet in de twaalfde eeuw zijn ontstaan en heeft ca. 400 à 500 meter van het huidige strand gelegen. Het is waarschijnlijk in de tweede helft van de veertiende eeuw verdwenen. Vóór 1300 is verder landinwaarts al een nieuwe dijk en haven aangelegd; in 1296 gaf hertog Jan van Brabant tolvrijdom aan allen die behoorden tot ‘de dorpe, die men heet Taleboitseinde ter nieuwer sluijse’. De landinwaartse verplaatsing werd gerealiseerd met de bedijking van de Burgh- en Westlandpolder, toen de kreek landinwaarts van Paalvoetsijde is afgedamd. Tot het in 1313 beschreven bezit van Witte van Haamstede behoorde ook Westland met het dorp ‘Nyerhaven’. De nieuwe haven werd vanaf 1400 algemeen aangeduid als Westenschouwen. De kerk was een dochterkerk van die te Burgh.
De belangrijkste bron van inkomsten van Westenschouwen was aanvankelijk de haringvisserij, nadien kwam ook de handel op. Begin zestiende eeuw kwam wegens de verzanding snel een einde aan de welvaart en trokken de kooplui naar Zierikzee. Dit verzanden kan verband houden met de langdurige bevloeiing van Noord-Beveland waardoor de stroom langs de kust van Schouwen zich heeft verlegd. Na het verzanden van de haven van Westenschouwen werd een haven aangelegd te Burghsluis die in 1770 door grondbraak verloren ging.
Archeologisch bewijs
Het bestaan van de tierende zeemeerman mag dan betwist worden, maar voor het bestaan van het dorpje Westenschouwen bestaat zeker bewijs. Vanaf 1800 kwamen enkele resten van het dorp bloot te liggen aan de kust van Schouwen. De haven was niet groot, er konden slechts vijf tot tien schepen in aanmeren, maar was van grote betekenis in de 14e en 15e eeuw. De Westenschouwse vissers dreven handel met Engeland. Ze transporteerden haring, krab en uien naar Engeland en importeerden wol, laken en steenkolen. Verschillende amateurarcheologen die geboeid waren door de sage van de zeemeermin en het verdwenen dorp hebben gezocht naar sporen van het dorp. Schoolmeester en amateurarcheoloog J.A. Hubregtse beschreef in 1911 al ‘steenfondamenten van woningen, wellen of tonputten en rondom woningen overblijfselen van allerlei aard’ gevonden te hebben. In 1947 kwamen nieuwe resten bloot te liggen en ook in 1967 en 1976 liet de zee steeds meer zien van het verdwenen dorp. Met metaaldetectors werden veel metalen resten van het dorp gevonden. En toen in de jaren 2000 het strand van Schouwen opnieuw opgespoten werd met zand kwamen resten van de oude havenbuurt aan de oppervlakte. Vervolgens werden deze resten, na het vastleggen van het archeologische bewijs, weer onder het zand bedolven in 2003.
De kerk van Westenschouwen was in 1548 nog in goede staat, maar al in 1581 een ruïne, na oorlogshandelingen in de jaren 1572-1577. ‘Westenschouwen! ’t Zal u rouwen! Het ontroven mijner vrouwe! Westenschouwen zal vergaan! Slechts de toren zal blijven staan’. Zo sprak de meerman toen vissers van Westenschouwen zijn meermin hadden gevangen. De voorspelling is niet uitgekomen, want ook de toren is in 1845 voor afbraak verkocht en in 1845/46 afgebroken. Het gedicht wordt thans toepasselijk geacht op de ‘Plompe Toren’ van het voormalige dorp Koudekerke. De bij het dorp gelegen vluchtberg *(werf) is tussen 1847 en 1874 afgegraven. Van het dorp zelf resteerden in het begin van de twintigste eeuw alleen een herberg en enkele lage huisjes.Van de onder water en zand verdwenen havenbuurt van Westenschouwen signaleerde men in de negentiende eeuw weer restanten. Amateur-archeoloog J.A. Hubregtse meldde in 1911 ‘steenfondamenten van woningen, wellen of tonputten en rondom de woningen overblijfselen van allerlei aard’. Ook later spoelden resten bloot. Belangrijkste gedocumenteerde structuur in de jaren negentig van de twintigste eeuw is een schuur of boerderij, met in de omgeving een geplaveid straatje. Onderzoek van palen gaf een datering van 1450-1470. In 1996 is een project met particuliere detectorzoekers uitgevoerd. Resultaat: de vondst van 479 pelgrimsinsignes en 716 profane insignes (in totaal 1195 insignes). Westenschouwen neemt hiermee, na Nieuwlande, in Zeeland de tweede plaats in wat betreft de hoeveelheid van deze vondsten.

Passage uit het Zeeuwsch sageboek 1933 van J.R.W. Sinninghe welke digitaal geheel toegankelijk is via Delpher.nl (isbn 9003 91240 8).
Watergeesten en Meerminnen.
Van de visschers van Westen Schouwen wordt verteld dat ze zóó rijk waren, zóó rijk als de zee diep.
Daarom waren ze zoo barre trotsch en hooveerdig, dat ze voor hun schepen zilveren spijkers namen, en op hun schoenen gouden gespen droegen. Ze waren echter niet alleen hooveerdig maar ook wreed, luister maar.
Eens vingen ze in hun netten een meermin, — je weet, die kunnen niet op het land leven — daarom klaagde en smeekte ze ook om weer vrijgelaten te worden. De meerman zwom wanhopig om het schip, en volgde het tot in de haven, maar de visschers lachten en lieten zich niet vermurwen. Ze brachten het zeewijf aan wal, en de meerman zag haar op de kade sterven. Toen wierp hij een handvol zand en wier in de haven, en profeteerde:
Schouwen, Schouwen, 't sal je rouwen,
Dat je mijne vrouwe houwe!
't Rieke Schouwen sal vergaen
Alleen de toren blijven staenl
Sindsdien is de haven verzand en de hartelooze visschers werden zoo arm, dat ze als bedelaars
door
het eiland moesten trekken.1)
En dit is de geschiedenis. In het begin der 16e eeuw verzandde de haven van het dorp Westen Schouwen. Geleidelijk trokken allen naar elders, zoodat huizen en kerk tot puinhoopen werden, die men na verloop van tijd opruimde. Van den ouden luister bleef niets over dan de ruïne van den toren, die tot baken diende voor de schepen. De bliksem had een hap uit den toren geslagen, en die een weinig lager, als het ware tegen de muur geplakt; hierover wist, een honderd jaar geleden, het volk een sage te vertellen, die helaas verloren is gedaan.2)
Nadat de toren in 1846 was afgebroken, verplaatste de sage zich naar den „plompen toren" van het verdronken dorp Koudekerke, die wel een uur verder, eenzaam aan de zeedijk staat.
***
Op het eiland Baltrum in Oost-Friesland vertelt men hoe eens de visschers van Schouwen een zeewijfke gevangen hadden. Ze smeekte hen haar toch weer te laten gaan, maar dat hebben ze niet gedaan. Toen ze echter de kans schoon zag, is ze toch ontvlucht, en weer in het water geglipt, maar voor ze in de diepte verdween, riep ze dreigend:
O, Schouwen, o. Schouwen,
Dat sall di rouwen!
Den volgenden dag kwam een groote vloed opzetten, die heeft heel Schouwen weggespoeld. 4)
***
Evenals in Zevenbergen (N.-Br.) verhaalt de sage van een vliegende meermin. Wie denkt er niet aan de grillige windwijzers, waarop het vrouwtje met de gekrolde visschenstaart meedraait met de winden?
***
De burgers van Schouwen waren slecht en hoogmoedig, en gaven om God noch gebod. Eens kwam een meermin gevlogen, zweefde boven de stad, en zong:
Schouwen, Schouwen, sal vergaen,
't Water boven den toren staen.
Sinds dien dag beukten de golven steeds heviger tegen de muren der stad, en ze zullen niet aflaten,
eer Schouwen is vergaan. 5)
***
De inwoners van Bats droegen den naam van Heeren, ofschoon ze maar boeren waren. Dien naam hadden ze gekregen wegens hun rijkdom en verregaande hoovaardij. Reden ze uit, dan zaten ze in karren met wielen waar zilveren banden om lagen, en hun paarden waren met zilveren hoefijzers beslagen. In de huizen waar ze verteer maakten, betaalden zij altijd met gouden geld en begeerden nooit iets terug. Zoo groot was hun hoogmoed dat zij zilveren klinken aan hun deuren lieten maken.
Op zekeren dag verscheen een meermin in de schelde voor Bats en zong:
Batsland zal vergaan.
En de toren in 't water blijven staan.
Zoo is 't gebeurd. Na de doorbraak van 1539 verging het dorp, alleen de toren bleef staan. Later is ook deze ingestort, maar bij laag water kan men de ruïne nog zien. 6)
***
Namen was lang geleden een bloeiende plaats in het Oostelijk deel van Zeeuwsch-VIaanderen. De boeren die te Kieldrecht ter markt kwamen, gooiden met goudgeld dat men er stil van werd. Nog veel weet men daar te verhalen over hun baldadigheid. Daarom verscheen er een meermin in een waterput en verkondigde:
Polder van Namen vergaan,
En Bats alleen zal blijven staan.
Het eerste deel dier voorzegging werd bewaarheid. In den verschrikkelijken Kerstvloed van 1717 is Namen vergaan.7)
***
Anderen houden vol dat de meermin gezegd heeft :
Namen, Namen zal vergaan,
Maar de toren zal blijven staan.
Namen, Namen. ‘t zal U rouwen
Dat ge gestolen hebt mijn vrouwe. 7)
De sage van Schouwen — de jaartallen wijzen het reeds uit — is de oudste. In het wapen van het eiland ziet men een meerminne en een meerman, die elkaar zwemmende de hand reiken.
***
Men seght dat op de plaets daer
Rammekens nu staet
Cerenen zijn geweest, die deden
Niemandt quaet.
Maer wierden veer gehoort in
Zee, wanneer ze queelden,
En met haer soet geluyt als In-
Strumenten speelden:
Daer woonden Najades, en niet als
Water-Goon,
Men sach daer nimmer Mensch
Men hoort geen Beestentoon. 8)
Deze cerenen (sirenen) en najades zijn niets anders dan onze zeemeerminnen, maar de dichter speelde graag met klassieke woorden; zijn eigen naam verfraaide hij tot Casparus Wachtendorpius.
Bronnen in het Zeeuwsch sagenboek komen van:
1) Volksmond. Onder den naam „legende van W. S.”, een van Zeelands bekendste sagen. Voor de eerste maal vermeld in „Navorscher" 1853, IX.
2) v. d. Aa, Aardr. Woordenboek art. „Westen Schouwen".
3) Cadsandria, 1858, blz. 151—155.
4) Luebbing, Friesische S., 246.
5) Wolf, N. S. no. 565.
6) N. v. Kol, Sagenboek, I, 36.
7) L. Lockefeer in E. V. III, 95.
8) Wachtendorp, Rijmkroniek, 13a.
Ter verg: Wolf, N. S. no. 219, 224, 507—509; Ons Volksl. IX, 25—28; 65—67; XII, 8, 85, 157. W. Dijkstra, II, 199. v. Lennep's ter Gouw, De Uithangteekens, II, 187, vlg. 't Daghet, IV, 87. Teirlinck, Folkl. Flamand, 143 vlg. Lenaerts, Verdw. der Alvermannetjes, 138. Sébillot, Folkl. de France, II,
31—33; 201 vlg. de Mont 's de Cock, Vlaamsche Vert., 332—337.
